|
Vuurstenen mesjes, krabbers en een pijlpunt neoliticum
putten 21 november 2001 |
Staatsbosbeheer van 1972 tot 1989. Na mijn opleiding aan de bosbouw- en cultuurtechnische school in Arnhem ben ik in 1972 in dienst getreden van het Staatsbosbeheer en werd ik districtsambtenaar landschapsbouw in Noord-Limburg. Daar was ik belast met met maken van landschapsplannen voor een groot aantal ruilverkavelingen en met name het landschapsplan voor "De Everlose Beek" is door mij ontworpen. Door dat werk kwam ik veel buiten en vond tijdens het werk veel pre-historisch materiaal, waarvan hiernaast een aantal voorbeelden zijn weergegeven. Tot 1980 heb ik dit werk gedaan waarbij met name het historisch onderzoek van landschappen mijn grote belangstelling had. Uit die tijd stamt ook mijn belangstelling voor systeem ecologie en de betekenis die dat heeft voor ons dagelijkse leven. Speulder en Sprielderbos (Ermelo-Putten) In de zomer van 1980 ben ik van landschapsbouwer, bosbeheerder geworden van Nederlands oudste bos op de Noord-West Veluwe. In die tijd was de belangstelling voor loofhout onder bosbouwers nog nihil en ik kon mijn ideeen over de herinvoering van de wintereik daar prima kwijt en ben daar toen ook mee begonnen. Daarnaast heb ik voorgesteld om in de oeroude boombossen van beuken niets meer te doen en de natuur zijn gang te laten gaan. Die ideeen kwamen uit mijn landschapsbouwperiode en die kon ik in het oude bos goed kwijt. Verder kon ik me verdiepen in de geschiedenis van dit oude bos en ontdekte na een lange speurtocht de deelbeyl, die voor het eerst beschreven was in het malekeur van 1548 (de malewet). Die deelbeyl was in handen van een particulier, Aalt Boone, die hem mij graag afstond in het kader van mijn onderzoek naar de geschiedenis van het bos. In het tijdschrift REIZEN van de ANWB uit 1986, nummer 6 wordt mijn zoektocht in een interview op uitstekende wijze beschreven door George van Aken. De titel van dit artikel luidde "Het bos van de dansende bomen", daarmee de kromme oude beuken bedoelend die al honderden jaren door negatieve selectie waren ontstaan. Vanuit de Germaanse tijd was dit bos altijd in handen geweest van de omringende boeren die dat gezamelijk beheerden in de vorm van een bosmaalschap.Tot het jaar 1798 hadden de boeren daar hun eigen rechtspraak en de maalmannen, zoals zij zich noemden, wezen twee holtrichters (houtvesters) aan die in het bezit waren van de deelbeyl. Hout dat het bos verliet moest altijd gemerkt zijn met de deelbeyl en werd je aangetroffen met ongemerkt hout, dan kon je dat een behoorlijke straf opleveren, in het ergste geval een afgehakte hand of twee vingers. In het midden van het bos ligt het buurtschap Drie waar het boshuis staat. Dat buurtschap is voor het eerst beschreven in 700 n. chr. en heette toen Thri. Thri was een Germaanse bosgod die in die jaren veel te vertellen had. Ook het in de buurt liggende Solse Gat stamt uit die tijd. Ook het Solse Gat was een heilige plaats voor de Germanen waar ze offers brachten aan de zonnegod. Sol komt van Soleil wat zon betekent, dus de plaats waar de zon werd aanbeden. Kortom een eeuwenoud bos van grote historische betekenis voor de geschiedenis van Nederland. In de zomer van 1989 heb ik het Staatsbosbeheer verlaten en ben kunstschilder geworden. De deelbeyl had ik nog steeds in mijn bezit maar ik vond dat die als historisch belangrijk materiaal terug moest naar de gemeenschap. Het museum "De Tien Malen" op het landgoed Schovenhorst in Putten leek me daar uitstekend voor geschikt en zo heb ik op 21 november 2001 deze geschonken aan het Puttens Historisch Genootschap.
|